Tot en met 13-03-2017 zijn er
145
lammetjes geboren

Markante uitspraken van levenskunstenaar Teun Niesing

Hij was de meest geïnterviewde man van de wijde omgeving. Lokale dag- en weekbladen, maar ook landelijke kranten en tijdschriften en radio- en tv-makers gingen zeer dikwijls voor een mooi verhaal naar onze oud-herder Teun Niesing.

Geen wonder, want de levenskunstenaar maakte veel mee, zag overal de humor van in, lokte wonderlijke gesprekken uit en kon prachtig vertellen. In dit verhaal een aantal citaten van onze kleurrijke Teun, die niet alleen hem, maar ook het werk van een schaapherder typeren.

,,Een jaar of drie geleden kwam een pastoor hier een kijkje nemen. ‘Niesing’, zei hij, ‘Je zult wel veel wijze dingen denken als je zo over de heide loopt.’ ’Ja’, zei ik, ‘maar ook veel onwijze dingen’. Hij legde zijn hand vaderlijk op mijn schouder en zei: ‘Wat menselijk van u. Wat ontzettend menselijk van u!’. Tsja, de mensen denken hele vreemde dingen over mij. Sommigen denken dat ik in een boom of in de kooi bij de schapen slaap.’ (Veluwe Expres 24-01-1990)

,,Ik liep eens met de kudde bij een heel donker bos. Er kwamen twee echtparen naar me toe om kennis te maken. Eén van de vrouwen voelde zich niet op haar gemak en keek steeds om zich heen. Ze vroeg me of ik in dat bos weleens een lijk had gevonden. ‘Ach, mevrouw’, zei ik, 'in een beetje goeie week vind ik er wel twee of drie’. Ze schrok zich rot.’’ (R&G Midden-Nederland 22-07-1987)

,,Komt er laatst een vrouw, deel uitmakend van een gezelschap, op me toe stappen en vraagt me: ‘Herder, wat verdient u eigenlijk met dit werk?’ Ik vond dat een stijlloze vraag en heb haar in het oor gefluisterd: ‘Geld, mevrouw.’’’ (Deltapost 17-11-1994)

,,Als ik in het voorjaar mijn kudde presenteerde en ze zagen er goed uit, dan was ik toch wel een beetje trots.’’ (In en om het huis, augustus 1997)

,,Zelf vind ik het een prachtig vak. Je moet niet alleen van de natuur houden, maar ook van mensen, niet krakkemikig zijn en geen vrouw hebben die elk weekeinde uit wil gaan.'' (De Telegraaf 7 april 1990)

Vooral een bevriende verslaggever van het Noord Veluws Dagblad tekende regelmatig prachtige anekdotes op uit de mond van de herder, die dikwijls een geknoopte boerenzakdoek op zijn hoofd droeg.

,,Ik sliep wel maar ik sliep ook weer niet; ik lag een beetje te dommelen. Ineens hoorde ik het hek open gaan en stonden er een paar meisjes van 17, 18 jaar door het raam naar binnen te kijken. Ik zag ze met één oog, want ik hield me slapend. ‘Oh, bah, wat eng!’, hoorde ik ze roepen, ‘daar ligt een enge kerel, wegwezen!’ En weg waren ze. Ach, ik kan me dat wel voorstellen: een oud keetje, vieze ramen. Sommigen denken dat ik niet goed snik ben. Nou, ze doen maar hoor. Een paar weken geleden liep er een koppeltje mensen, De wind stond mijn kant op en daardoor kon ik een van de mannen horen zeggen: ‘Nou, die vent zal wel gek zijn, want anders zit je toch niet bij zo’n stel stomme schapen?’ Het is natuurlijk ook weleens anders. Want vorig jaar kwam hier een man in een slee van hier tot die boom. Zo’n breedgeschouderde kerel, die op me af kwam stappen. ‘Man, wat ben je gelukkig, wat zit je hier mooi!’ Dan wil ik weleens wat meer weten en daarom vroeg ik: ‘Hoezo?’ Hij zei toen met een zware stem: ‘Man, jij zit hier altijd in de natuur te genieten en ik, ik zit in Amsterdam, in de drukte met stapels papier voor me en spanning in de zaak. Ik zou zó willen ruilen.’ ’Nou, geef op die sleutels van die wagen van je’, was het enige wat ik hoefde te zeggen. Want dan doen ze het niet hoor. Het lijkt allemaal mooi, maar er zitten ook wel minder mooie kanten aan en dat vergeten de mensen altijd.’’ (23 augustus 1980)

,,Bij de kooi kwamen twee oude dametjes bij me, die vertelden dat ze hier al eens eerder waren geweest. Die ene dame zei op spijtige toon dat ze toen met haar man was geweest. Nou ja zeg, als je zoiets zegt, dan verwacht ik dat die man overleden is. Dus ik op deelnemende toon: ‘Oh, is uw man soms overleden?’ Dat mens komt dichter bij me staan tot haar neus bijna de mijne raakt en zegt op woeste toon in ras-Amsterdams: ‘Overleden? Wat overleden! Hij is d’r met een ander wijf vandoor!’ Ach, en dan lach ik inwendig toch zo hè. Prachtig is dat.’’ (23 augustus 1980)

,,Soms zeg je aan het eind van de dag tegen jezelf: Nou, vandaag heb ik weer heel wat onnozelaars op bezoek gehad.’’ (23 augustus 1980)

,,Het is heus geen verdienste dat ik 25 jaar schaapherder ben hoor. Zo van: 'Tjonge tjonge, wat flink van die vent dat-ie dat al zo land doet.' Nee, absoluut niet. Je raakt aan dit leven gehecht. Niet enkel aan de schapen, maar ook wat er omheen hangt. Ik ben er tevreden mee, geniet hier. Het zou me ook aan het hart gaan als ik hier weg zou moeten.'' (april 1990)

,,Twee dames en twee heren op leeftijd hadden ergens in een restaurant in Epe kip zitten eten. Maar terwijl ze aan hun kip zaten te kluiven, merkte een van die mannen dat hij zijn kip niet op kon. Toen heeft hij de afgekloven botten en restjes netjes in een servet gewikkeld. 'We gaan vanmiddag toch nog naar de schaapherder en die zal wel niet goed te eten krijgen', moet hij gedacht hebben. Want ’s middags kwam ik ze tegen, ik ging net op pad. Niet zonder trots bood hij me dat toen aan: ‘Zo, beste man’, zei hij, ‘we hebben nog wat lekkere restjes kip voor je bewaard.’ Hij wikkelde de restjes vlees uit het vette servetje en gaf ze me. Iemand heeft me eens gezegd dat hij zou zeggen: ‘Man, lazer op!’. Maar zo ben ik niet, die mentaliteit heb ik niet. Dan kwets je die mensen en … nee, zo ben ik niet en zo zal ik ook nooit worden. Daarom heb ik maar heel dankbaar gedaan: ‘Oh, dank u wel meneer, dank u wel. Maar mag ik het nog even bewaren, want ik heb een buik zo rond als een ton. Ik heb net m’n eten achter de kiezen. Maar straks, over ’n uurtje of zo, krijg ik wel weer honger.’ Nou, hoor ‘ns hé, ze waren nog niet weg of ik heb het aan de hond, aan Bruno, gegeven. Getverderrie, ik moet er niet aan denken, ik word alleen al bij de gedachte niet goed.’’ (23 augustus 1980)

Over het beroep schaapherder: ,,Als je nors-achtig, eenzelvig of verlegen bent, moet je er niet aan beginnen. Het moet niet zo zijn dat als je mensen ziet komen, dat je dan zegt: ‘O jee, wat hebben die nou weer te zaniken’. Je moet enthousiast zijn voor het werk, het moet je liggen. Je hoeft geen professor te zijn, maar je moet natuurlijk wel wat van schapen weten. Je moet er niet om geven als je de hele dag niemand ziet, maar je moer ook niet schrikken als je ineens tweehonderd man ziet staan. En wat ook belangrijk is – laat ik het gauw afkloppen – is dat je een goede gezondheid hebt. En die – afkloppen – heb ik, want ik kan me niet heugen dat ik ooit echt ziek ben geweest.’’ (april 1990)

,,Ja, ik ben inderdaad wel blij als ik mensen zie. Gezellig hè. Waarom ik ze dan vaak het hemd van het gat vraag? Nou, de mensen stellen mij vragen, dan mag ik toch ook wel wedervragen stellen? Dan heb je weer eens een ander praatje, want anders moet je de hele tijd over schapen praten. Daar moet je je tegen wapenen. Natuurlijk filosofeer ik wel als ik alleen ben. Maar denk nou niet dat ik allemaal wijze dingen denk hoor. Ben je gek. Ik mag graag bomen, maar slap kletsen doe ik net zo graag.’’ (april 1990)